Bezwaarschrift

Bezwaarschrift via de elektronische weg


Bezwaarschrift “via elektronische weg” bij naheffing parkeerbelasting

Bezwaar niet op de voorgeschreven wijze ingediend

Het gaat in deze uitspraak om een persoon die een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft ontvangen. Tegen deze aanslag heeft de persoon “langs elektronische weg” (per e-mail) bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar reageert hierop per brief, kort gezegd, met de mededeling dat het bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is ingediend en hierdoor niet wordt behandeld. Dit diende te gebeuren via de gemeentelijke website met gebruikmaking van DigID.

De persoon liet het hierbij niet zitten en ging hierover in beroep bij de rechtbank. De rechtbank kwam tot het oordeel dat het bezwaar niet op de juiste wijze was ingediend. Hierdoor was hetgeen per mail is verstuurd niet aan te merken als een bezwaarschrift. De brief van de heffingsambtenaar was, naar oordeel van de rechtbank, slechts van informatieve aard en daardoor geen uitspraak op bezwaar. Hierdoor was er geen besluit genomen dat voor beroep vatbaar was. De rechtbank heeft het beroep op die grond niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad is het niet eens met deze zienswijze. De Hoge Raad geeft in haar uitspraak aan dat de persoon in kwestie door het sturen van de e-mail niet de juiste weg heeft bewandeld. Het staat echter vast dat het onjuist ingediende bezwaarschrift dezelfde dag door de heffingsambtenaar is ontvangen. De ambtenaar had de persoon in de gelegenheid moeten stellen om dit verzuim te herstellen, dit op grond van art. 6:6 Awb. 

Opmerking verdient dat de heffingsambtenaar ten onrechte heeft geweigerd om uitspraak te doen op het bezwaar. Met de regeling in artikel 6:6 Awb over bezwaarschriften die niet voldoen aan de eisen van artikel 2:15 Awb is niet verenigbaar dat de heffingsambtenaar weigert een zodanig bezwaarschrift in behandeling te nemen zonder dat hij een termijn voor herstel van dit verzuim heeft gesteld.

Bezwaarschrift

Een op onjuiste wijze ingediend bezwaar is nog steeds een bezwaarschrift, waarop uitspraak moet worden gedaan (zoals een termijn voor herstel van het verzuim stellen). De brief van de heffingsambtenaar moet worden gezien als een weigering om een uitspraak te doen. Een schriftelijke weigering een besluit te nemen wordt op grond van art. 6:2 Awb  gelijk gesteld met een besluit. Daartegen kan beroep worden ingesteld. De rechtbank had daarom het beroep gegrond moeten verklaren en de heffingsambtenaar moeten opdragen alsnog een uitspraak te doen op het bezwaar.